Hoofdstuk 5. Het bos en de familie.


Vakantie, olieverf op doek, 130cm x 160cm 1997
Het gezin waar Monique uit voortkwam had een plekje in een bos en haar eigen gezin heeft dat nu ook. De archetypische entiteiten “bos” en “familie” zullen tegen deze achtergrond tot een nieuw werk leiden. Zij gaat terug naar “Het bos” op zoek naar sporen van het verleden. Wat betekent het verleden nu en wat voor toekomst heeft het verleden?


Bos en bosrand, met familie (door Philip Peters)

In Nederland hebben we niet veel bos en wat er nog over is, is keurig in cultuur gebracht compleet met fietspaden en ANWB-paddenstoelen. Toch houd ik van dat bos, als stadskind, dat allang tevreden is als er ergens bomen staan. Maar in zekere zin is het een haatliefde verhouding. Het ruikt lekker in een bos, ik houd van het geluid van door de wind ruisende bomen en van de regen op de bladeren. Door een bos van dorp naar dorp fietsen langs wel gebaande maar vaak ook oude paden vind ik nog steeds bijzonder, het plaatst je even buiten de tijd. Er bestaat een schilderij van Altdorfer waarin de beschouwer vanuit een bos in de verte een kasteel ziet liggen dat baadt in het zonlicht.

Altdorfer was een van de eerste kunstenaars die veel natuur heeft geschilderd omwille van zichzelf en niet omdat er misschien net ‘De vlucht naar Egypte’ of een andere optocht langskwam. Van mijn eigen dubbele relatie tot het bos vind ik in dat schilderij iets terug, het toont twee variabelen zonder ze te benoemen. De vraag die opkomt is: van wie is dat kasteel, zijn ze ons daar goed of kwaadgezind? En, omgekeerd: komen we opgelucht uit dat bos of heeft het ons juist onderdak geboden voordat we de wereld met al zijn troebelen weer binnengaan? Heeft het bos ons beschut en beschermd of heeft het ons benauwd en bedreigd? Was het er vredig en aangenaam stapvoets rijden of reden we in vliegende galop zonder te kunnen ontsnappen aan Erlkönig die ons zoontje ein Weh gedaan heeft? Ook al dateert dat gedicht van Goethe en daarna nog het lied van Schubert van een paar eeuwen later, dat maakt voor mijn ervaring in de eenentwintigste eeuw niet uit en bovendien gaat het om een sentiment, een Angst, die zo oud is als de mensheid zelf.
In 1929 schreef Huxley in zijn essay ‘Wordsworth in the Tropics’: There is something in what, for lack of a better word, we must call the character of great forests which is foreign, appalling, fundamentally and utterly inimical to intruding man. The life of those vast masses of swarming vegetation is alien to the human spirit and hostile to it. Verderop benadrukt hij, dat dit niet alleen in oerwouden of uitgestrekte en oude Midden-Europese wouden opgaat, maar ook in kleinere, more temperate  bossen. En dit was ruim voordat in 1952 the doors of perception waren opengegaan tijdens experimenten met het hallucinogene middel mescaline zoals hij beschrijft in het gelijknamige boek dat twee jaar later zou verschijnen.
Het kan een persoonlijke, neurotische preoccupatie van Huxley zijn geweest, maar in de beeldende kunst komt het bos door de eeuwen heen vaak over als dreigend, woest, ondoordringbaar en vol gevaren. Zelfs bij onze eigen Ruysdael is dat het geval en dan gaat het toch om Nederlands bos, ook zonder de ANWB en andere koloniale instanties een stuk minder heftig dan het oerbos, maar het mist zijn werking niet onder de laaghangende duister bewolkte lucht van bijvoorbeeld De Joodse begraafplaats,waar het beeldvlak wordt afgesloten door een ruïne en een achterliggend bepaald zeer ongastvrij woud (dat vermoedelijk niet echt heeft bestaan).

In de Romantiek was Friedrich in dit genre de overtreffende trap met zijn vele schilderijen waarop gotische ruïnes in een lang verlaten woud verwijzen naar een tijd die eigenlijk in zijn geval een mythologische tijd was met Middeleeuwse garnering, geen historische tijd (al lijkt dat wel zo) maar een tijd van legenden en sagen, ik zou zeggen: een tussentijd.  


De rijke tak van onze familie had een stuk grond in Putten, waarop ze zelf van hout een huisje hadden gebouwd waaraan meermalen een stuk werd toegevoegd. In de zomer mochten wij daar soms een tijd naartoe, samen met wisselende andere leden van de familie. Het was er heerlijk, zeker voor een kind. Het stond een paar kilometer van het dorp verwijderd, maar inmiddels is het daardoor ingehaald en maakt het  deel uit van de bebouwde kom. Het sprookjesachtige huis met de groene waterpomp is vervangen door een meer prozaïsche stenen nieuwbouw, dus hier zijn korte metten gemaakt met een magisch stuk verleden. Van het drama dat zich in de oorlog in Putten had afgespeeld waren wij kinderen niet op de hoogte.
De Veluwe, dat is de bible belt waar ik als kind niets vanaf wist omdat we thuis niet christelijk en in het algemeen ongelovig waren. Maar het is ook een magisch stuk Nederland, waar het krioelt van de sagen en legenden en die begon ik als kind wel degelijk te lezen, het meeste daarvan is in de loop van de decennia weer weggezakt. Ik herinner me er vagelijk nog één, die te maken had met ‘het Solse gat’ in het Speulderbos tussen Putten en Garderen en dat kende ik wel, daar waren we vaak geweest. Het Solse gat is inderdaad een zeer lang, breed en diep gat in de wat moerassige grond en het verhaal ging dat er vroeger een klooster had gestaan, waarvan de bewoners zich te buiten gingen aan allerlei liederlijke uitspattingen die met het woord van God nog maar heel weinig te maken hadden. Als straf daarvoor werd het klooster met man en muis door de  aarde verzwolgen. Maar iedere nacht om twaalf uur komen de monniken spoken en dan is het uitkijken geblazen daar.
Toen ik een jaar of tien was mochten we weer naar Putten, maar dit keer op een speciale manier: mijn moeder en broertje namen de trein en ik zou met mijn vader op de fiets gaan. Daar verheugde ik me geweldig op, samen op reis! En het was een mooie tocht, waarvan ik me alleen nog maar een korte passage herinner. We reden een bos uit en kwamen op een open veld, of misschien was het de hei, en er kwamen donkere wolken opzetten; het begon te regenen en daarna begon het nog veel harder te regenen en we hoorden het gerommel van naderbij komende donder. Mijn vader zei dat we moesten doorrijden zo hard we konden en dat deden we. Het onweer kwam steeds dichterbij maar net op tijd bereikten we het einde van het vlakke veld en reden een dorpje in waar hoge bomen stonden, ik geloof dat het kastanjes waren maar dat weet ik niet zeker. Wel denk ik te weten dat we toen onder de beschutting van een heel grote boom bleven staan schuilen. We keken elkaar aan en ik geloof niet dat ik me ooit zo dicht bij mijn vader heb gevoeld behalve misschien als heel klein kind en later op zijn sterfbed, maar dat was anders. Ik voelde me onder die boom gelukzalig beschermd door hem, hij had me naar een veilige plek gebracht, mijn vader. Wat er precies van zo’n herinnering wel en niet klopt valt niet meer te achterhalen, maar ik weet wel dat je als het onweert beter niet onder een boom kunt gaan staan, waar de kans op blikseminslag relatief groot is. Waarom gingen we niet een uitspanning in, ik meen er een voor me te zien tegenover de boom, op een soort pleintje en er was een bordje Verlof A of Verlof B aan de muur bevestigd. (Bestaat dat nog? Het had iets te maken met een vergunning voor mild alcoholische dranken of alcoholische dranken tout court, het fijne ervan heb ik nooit geweten.) Maar dat zijn gedachten achteraf, ik vond het juist heerlijk, samen onder die boom, wel nat maar ook beschermd door het bladerdak. Later heb ik me wel eens afgevraagd hoe mijn vader zich gevoeld zou hebben, daar met zijn kind met beginnend onweer op het open veld. Zou hij angstig zijn geweest? Ik kan het me tot de dag van vandaag niet voorstellen, mijn vader was nooit bang, nergens voor. Zou Erlkönig bij hem op zijn gekomen, het moet haast wel, hij kende zo veel poëzie. In ieder geval, zo blijkt wel, komt het gedicht (en, vooral, het lied) bij mij op, nu bijna zestig jaar na dato. Kennelijk ervaar ik dit moment nu met terugwerkende kracht als zodanig, met dit verschil dat ik in leven bleef en dat mijn lieve, sterke vader daarvoor had gezorgd, dat kon hij wel. In dit verder op zich in het geheel niet bijzondere verhaal was het bos een plek waar we weg moesten om in het veld een groot gevaar te doorstaan, in volle galop als op de hielen gezeten door Dürers Ruiters van de Apocalyps.
 
Hier was het veld dan een rite de passage tussen twee veilige bossen in. Terwijl ik dit schrijf merk ik weer hoe ik eigenlijk met zijn tweeën ben: dat jongetje van toen en de oudere man van nu. En allebei zijn ze ik. En de ik die dit schrijft lijkt zich wel daar ergens tussenin te bevinden, op een plek die niet bestaat, in tussentijd.

Ik liep even naar buiten en tot mijn verbazing was het droog en zonnig.
Ik denk dat het wilde, woeste, alles overwoekerende beeld van het mensvijandige woud met eigen wetten en systemen, zoals ook Huxley het beleefde, wel eens een metafoor zou kunnen zijn voor het onbewuste, waar allerlei geheimzinnige en potentieel destructieve driften de toon aangeven op een manier die het ego angstaanjagend vindt: stel je voor wat er zou gebeuren als dat allemaal ineens los zou komen….  daar zijn we bang voor, dat moeten we eronder houden, dat moet getemd.
Als kind was ik bang in het donker en net als bij de betreurde Gabriel García Márquez (een echte schrijver) is dat nooit helemaal verdwenen. In de stad heb ik er geen last van en in een bos voel ik mij bij daglicht weliswaar prima en op mijn plaats, maar zet me niet midden in de nacht op een onbekende plek in een bos want dan voel ik me buitengewoon unheimlich. Deels is dat een onhandig evolutionair overblijfsel: mensen zijn van nature bang in het donker en dat was maar goed ook, want in het donker kunnen we niets zien en moeten we op de savannen dus dubbel alert zijn op aansluipende sabeltijgers en ander gespuis. Maar in het donkere bos zijn geen tijgers en in Nederland ook geen wolven of beren, er is niets om bang voor te zijn (dat kan dan trouwens ook nog: er is niets om bang voor te zijn en voor dat niets zijn we dan ook angstig – niets om bang voor te zijn, als er niets is ben je er zelf ook niet, dan ben je dood, dus misschien is alle angst langs verschillende kronkelwegen uiteindelijk toch steeds doodsangst). Maar waar je wel bang voor kunt zijn, ook al is het er misschien niet of misschien ook wel, is de andere wereld, een parallel universum (of een heleboel paralelle universa) dat komt spoken in het onze op momenten dat we er gevoelig voor zijn.
Ongeveer twee decennia na de fietstocht met mijn vader was ik met mijn vriendin een paar dagen in Putten, in een hotel, het contact met de rijke tak van de familie was verwaterd, wat jammer is want ik was nog graag eens naar die oude plek terug gegaan. Op een middag maakten we een lange fietstocht en toen we weer in de buurt van Putten kwamen was het al bezig een beetje donker te worden. Het bos was stil en wij ook. Voor ons uit zagen we een kruising met een ruiterpad en inderdaad zagen we een ruiter aan komen rijden. We stonden stil om hem voorbij te laten gaan en zeiden nog beleefd ‘Goeiemiddag’, wat je in de stad nooit maar op het land heel vaak wel doet. Antwoord kregen we niet, de ruiter keek niet op of om. Hij zag er vreemd uit, ik geloof dat hij een ouderwets ogend uniform aan had en in ieder geval had hij een Duitse Kaiser Wilhelm helm op – achteraf zou ik hem situeren ten tijde van de eerste wereldoorlog, maar die was aan ons land voorbij gegaan dus wat deed die man dan hier? En: hij was te groot, zeker anderhalve keer groter dan normaal. Toen hij het pad was overgestoken verdween hij aan de overkant weer in het bos. Wij keken elkaar aan en ja, we hadden hetzelfde gezien en dezelfde ongerijmdheden waren ons allebei opgevallen en we realiseerden ons nu ook dat de ruiter geen enkel geluid had gemaakt, van hem en zijn paard was helemaal niets te horen geweest. We hadden een verschijning gezien, maar we hadden hem allebei gezien dus een hallucinatie kon het niet zijn geweest. Als je lang in een al wat donker bos hebt gefietst waar je weinig separate visuele indrukken opdoet word je gevoeliger voor het ‘zien’(of ‘horen’) van verschijnselen die er niet echt zijn of er in ieder geval niet horen te zijn. Achteraf moet ik denken aan Dürers Ritter, Tod und Teufel, maar op het moment zelf waren we alleen verbijsterd en gingen de haren op onze armen overeind staan. Ik denk dat deze episode zich in tussentijd afspeelde, de plek – als het een plek is, de taal is weerbarstig – waar alles kan, waar alles mogelijk is, de plek ook, denk ik, waar veel (maar niet alle) kunst vandaan komt.
Niet zo veel later maakte ik een minder lang fietstochtje met mijn kleine dochtertje van twee voorop, we zijn nu in Drenthe nabij Dwingeloo in de boswachterij Appelscha. We reden door het bos van dorp naar dorp en het was, vond ik, mooi om uit de koepel van bomen weer in het volle zonlicht te komen en dan na wat bebouwing het bos weer in te duiken als in een tunnel. In graalverhalen komt ook vaak een bos voor, als het even wil met een moeras erin, en vaak moet daar een draak worden verslagen – allemaal metaforen voor rites de passage, op weg naar een andere levensfase, naar kennis of juist het verliezen of ontbreken ervan. Maar het Drentse bos was vriendelijk en we babbelden wat met elkaar, iets waarmee we op haar tweede begonnen toen ze net leerde praten – ze wordt nu binnenkort zesendertig en dat gesprek is nog steeds aan de gang. Bij een uitspanning gingen we wat drinken, de zon scheen, het was een heerlijke middag. Toen we alweer onderweg naar ‘huis’ waren kreeg ze er ineens genoeg van, ze wilde mamma toe. Ik kon haar makkelijk troosten, het was niet ver weg meer en het was fijn om snel ook weer bij mamma te zijn. Het was een mooie tocht en toch had ik ook het gevoel samen ‘door van alles heen te zijn gegaan’, ik zou niet weten wat maar een reis is misschien nooit vrijblijvend.
Monique heeft met haar gezin een caravan en die staat nog net op een heel aangename plek in het bos, maar een meter of tien verder begint een maïsveld en aan de overkant daarvan gaat het bos weer verder of is er een nieuw stuk bos. Het is dé archetypische overgangsplek, de bosrand. Ze heeft mij er mee naartoe genomen en precies op de grens tussen bos en veld staat een bankje. Daarop heb ik een tijdje gezeten, ik keek uit over het veld en verzonk in ongericht gemijmer. 
De bosrand is een plek tussen twee gebieden in – zelf is de rand niets, hij kan  alleen bestaan omdat het bos en het open veld er zijn. De bosrand, die bestaat dus eigenlijk ook alleen in tussentijd.






 

 

Terug naar Huis ter Heide; het vroegere bos van mijn ouders.



In onderstaand filmpje ben ik op bezoek bij Henk van der Rijdt die woont en werkt op Distelloo; recreatieoord in de bossen van Helvoirt. Zijn huis is het oudste huis van het terrein en gebouwd door de vader van Nic Jansen (zie filmpje onder dat van Henk) waar een caravan aan is vast gemaakt. Henk moest van zijn vader architectuur studeren maar ging uiteindelijk naar de kunstacademie en ging daar filmen. Hij ontmoette Jacques van der Heijden en Leon Adriaans die zijn beste vriend werd. Nog altijd koestert hij het boerenjasje wat Léon achterliet nadat hij weg ging om nooit meer terug te keren. Henk vertelt zijn verhaal in onderstaand filmpje te midden van de werken van Jacques van der Heijden en Léon Adriaans in zijn huis in de bossen van Helvoirt.


Hieronder ben ik in gesprek met Nic Jansen, eigenaar van recreatieoord Distelloo in Helvoirt, over de geschiedenis van het toerisme, het ontstaan van deze bijzondere plek in de Brabantse bossen in de jaren zestig, toen de caravan er neer werd gezet die nu eigendom is van Jan van Hees en van mij. Wie was de eerste eigenaar?


Hieronder wat verzamelde 'bos en familie' schilderijen vanaf 1997 t/m 2005.
Nobody to play with, olieverf op doek, 50cm x 50cm, 1998.



                                        De fatsoenlijke familie, olieverf op doek, 113cm x 115cm, 1998
In het kader van een tentoonstelling waar ik aan mee deed in de Nederlandse Cacaofabriek in Helmond werd er een gedichtenwedstrijd uitgeschreven. Men kon een gedicht maken n.a.v. een schilderij die geëxposeerd werd. Het gedicht over 'De fatsoenlijke familie' viel in de prijzen. Dit is het gedicht:



Gedicht bij "Monique Broekman,
De Fatsoenlijke Familie"
Een man schoof zijn leugens opzij
en zag alleen de waarheid
Klein als hij was
rimpelig
en alleen,
als een enkele tomaat
verlangend uit de zomerzon
keek de waarheid schichtig om zich heen,
verschrompelde onder de aandacht.
Nog beter wilde hij kijken!
nog duidelijker wilde hij zien
kneep de ogen dicht.
kleiner en kleiner werd hij
gefocused werd hij
vager en verder
zag hij niets
totdat hij niets meer zag, niets.
was weggevaagd...
Begijstering! Verslagenheid!
De Muze riep hen aan!
Verschrokken en scherpend
sperde hij de ogen
rechtop zat hij in zijn stoel...
een glimlach speelde rond zijn lippen.

 Reobeds (Ik neem aan dat dit zijn/haar naam is. Er staat verder geen naam bij)

Bron: nl.kunst.literatuur.podium

Ik ben nog eens verder gaan neuzen en kwam tot mijn grote verbazing nog wat dichtwerk tegen over hetzelfde schilderij:

 Triptiek (naar Monique Broekman's 'De fatsoenlijke familie' en Mozart's Sonata in F KV 533 & 494)

 Dichter: SV


I. AllegroDOCHTER
De wind, die sierlijkheid uitspreekt
in blaadjes, misschien? Of balletles?
Iets maakt dat ik denk aan stijgen
en dalen: iets maakt dat ik altijd
wat ik denk herhaal.
Gerommel in mijn maag. Nee, pappa
kan niet dansen. Wel zweven, parachute,
diensttijd en zwaartekracht artikuleerden
de massa van zijn mannelijkheid,
op de oude foto.
Maar hij werd zwaar, alsof hij alleen
nog bestaat als hij uitbarsting speelt.
En mijn fiets vertelt me:
"Roteer en slag. Krom. Droom op mij.
 Je kleine natte breintje
 oom wind zal het verwarren
 met langfietsende huizen.
 Ga sneller! Vijftien families
 Per minuut! Je mag!
 Ik zal je struikelen
 waar je niets verwacht, ik werp
 je in de armen van
 een paardenmenner"
Canon van ponies. Mijn vriendin
en mijn buurmeisje willen ook
een ontvoering. De TV schoot
in galop langs tonale gebieden.
Nu nog dankzij een magneet.
Later komen wij de cowboys
te hulp, later, later. Maar hier:
hebben hier paarden
op hun tenen gelopen?
Om de waterval niet te verstoren?
Mijn huiswerk is af. Waarom
draai ik zo?

MOEDER
Ik heb teveel sokken gebreid.
Laat vader ze naar Afrika
slepen of naar het hotel
waar wij voor het eerst
een portiek zo ging dat
toen ik alles dubbel beleefde
hakkelend én in slow motion
maar het was geen kwestie
van analyse en wat droeg ik
die avond.
En ook de dieren stormden
dubbel langs. Elke reu zijn teef,
elke muis zijn olifant. Diagrammen
van hoe beesten rennen,
daar ben ik altijd over uitgegleden.

DOCHTER
Of de blaadjes, die uitspreken
hoe de wind kan kietelen.
Iets maakt dat ik
                             pappa
ruikt anders dan mamma. Maar
hoe ruik
               een stalknecht?
En hebben die wel genoeg
gratie, voor een voor ons?

VADER
Ik zie je zitten op je
voorzichtige paard, ik
ben trots, het had een cadeau
voor moeder, maar dan
die van de oude foto.
Zelf zit ik op mijn
werkbank, zweef
boven jullie, dochter,
moeder, dochter.
II. Andante
MOEDER
Daar zitten we, in de zon
van de buurt. Is het gas
en huur wel op tijd?
Wat bedoelde die zus
van me altijd met dat
gedraai - hemel - oma
zal het toch niet verkeerd
ze begrijpt vast wel - maar
wat als ze plotseling onder
een tram en ik - moet
ik geloven in goedheid
en dat familie mij
vangt als ik uit het raam
of zou ik die ene
uit zes miljard die dwarrelt

III. Rondo - Allegretto
VADER
Morrr-gen
ga ik aan het werk
fietsen vijlen, autos kwijlen
Morrr-gen
ga ik aan het werk
sprint ik naar de bushalte
huppeltje naar de zon
haha, vogeltjes kunnen niet slenteren
Overmorgen
ga ik aan het werk,
functioneringsgesprek?
Toch niet dat ik vertrek?
Maar deze jongen
blijft positief denken.
Word je ook niet ziek!
Overmorgen
ga ik aan het werk
gebbetje met de nieuwe
ik hou van die boterhamsfeer.
Op het nieuws iets over een documentaire,
altijd wel iets anders ergs.
Nee,
deze jongen in zijn tuin
aan het werk en in zijn tuin
en in zijn tuin aan het werk.
En ik vlieg op de lekkere vent die ik was. Opa's trots God hebbe.



Hele dagen in de bomen, olieverf op doek, 75cm x 75cm, 1998
Alice in wonderland, olieverf op doek, 30cm x 40cm, 2004
Vitiligo in paradise, olieverf op doek, 50cm x 60cm, 2005. 
Distelloo in winter, 25 cm x 25cm, olieverf op paneel, 2005.
Distelloo 2, 50cm x 60cm, olieverf op doek, 2005.
Tonny's caravan, olieverf op doek, 55cm x 65cm, 2002
De student, olieverf op doek, 50cm x 65cm, 2002
Koppel, 25cm x 30cm, olieverf op doek, 2002
Broers, olieverf op doek, 25 cm x 30cm, 2002. 
Zondag, olieverf op doek, 60cm x 70cm, 2004.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen