Hoofdstuk 7. De Metaal.



Een project in het voormalige Autotron (automuseum van Max Lips) in de gemeente Heusden, dat de verdwenen grandeur en stoere arbeid van een bedrijf terughaalt in zwart-witte herinneringen op de wanden, soms van zeer groot formaat. Over het verdwijnen van 19e eeuwse fabrieken en de gevolgen daarvan voor de identiteit.
Ontwikkeling van industriële naar informatiemaatschappij, van het materiële naar het virtuele domein.


DE METAAL, DE INDUSTRIE, DE KUNST (door Philip Peters)
De Metaal. Een prachtige titel, krachtig, stoer, onverzettelijk als een rotsblok.
Van industrie weet ik niet zo veel. Ik heb wel eens bij de voormalige Cabbalero-fabriek aan de lopende band gestaan en dat vond ik eigenlijk wel leuk: wat ik te doen had was simpel en je kon je gedachten alle kanten op sturen zonder dat dit het werk in de weg zat. Maar ik deed dat werk niet langer dan twee maanden, iets korter zelfs, en dat is wat anders dan je hele leven daar te moeten staan. Machines. Arbeidsdeling. Vervreemding. De nadelen van de industriële revolutie zijn bekend. En dan heb ik het nog niet over te lage lonen, slechte huisvesting, ongezonde werkomstandigheden. Marx. Revolutie. Sovjet Unie.  Stalin. Terreur. Het middel was erger dan de kwaal. Ook in de combinatie Kapitalisme, Verenigde Staten, Marktwerking, Neoliberalisme, Guantanamo.
Inmiddels is de hele planeet onbewoonbaar aan het worden door allerlei soorten vervuiling, die direct of indirect een gevolg zijn van industriële processen. Het Latijnse woord ‘industria’ betekent gewoon ‘ijver’, het is mij niet bekend hoe dat woord terechtgekomen is waar het zich nu bevindt maar ik kan er wel naar raden: er moet ijverig en hard worden gewerkt om de zakken van de bazen te spekken en zelf met een hongerloon naar huis te worden gestuurd. Natuurlijk is er op sociaal gebied veel ten goede veranderd sinds het begin van de industriële revolutie. We leven niet meer in de tijd van Dickens. Maar door onverstandige maatregelen om de economische crisis te lijf te gaan dreigt er nu weer veel verloren te gaan en de kloof tussen arm en rijk wordt wereldwijd alleen maar groter. Er is geen enkele plek op de wereld waar dat niet het geval is want door de globalisering en steeds toenemende onderlinge afhankelijkheid van staten is alles mondiaal geworden – als in China een besluit wordt genomen merken ze dat in Angola, Peru en Nederland ook en andersom geldt (bijna) hetzelfde.
Aan de andere kant heeft het begrip ‘industrie’, zeker in de koppeling met ‘revolutie’, ook een heroïsche klank. Ik zie er allerlei vlammende tinten rood bij, stoere, gespierde mannenlijven en ik hoor geratel en gedonder waarbij horen en zien je vergaat. En dat is vrij vreemd, want zo gaat het helemaal niet in de fabriek of in ieder geval is zo’n beeld bepaald niet maatgevend. Het zijn juist de oude werkplaatsen, de smidse, waar vuur en krachtpatserij bij te pas kwamen en daar hoort muziek uit Wagners Ring der Nibelungen bij en personages als Mime en Siegfried, fictieve plekken en personen uit een voorhistorische, mythische tijd, een soort tussentijd eigenlijk. En in die tussentijd hoort ook mijn fantasiefabriek thuis, geen kwestie van observatie maar van verbeelding en die kan aardig met je op de loop gaan. In mijn hoofd hoort daar Joseph Wright of Derby bij, die een pre-industriële schilder was, daar heb je zo’n smidse:

En die associatie met rood is van hetzelfde laken een pak, maar dan gaat het wel over de Vesuvius en niet over een fabriek:
 


Het is en blijft vreemd hoe je bij vol bewustzijn toch de verkeerde associaties kunt hebben.
Een fabriek, die ziet er zo uit:

Of zo:


En zo (1921):



Of zo (1909):


Hoewel, ik zeg dat nou wel allemaal alsof ik weer waarover ik het heb, maar de zware metaalindustrie bracht wel deze beelden voort, vind ik in het verzamelde beeldmateriaal van Monique:







 
(foto's van André Jansen Lips/Wärtsila)

En hier is een link naar Mosolovs compositie De ijzergieterij (1926) met bijbehorende beelden:
De ijzergieterij
In een andere muzieksoort hoor je een vergelijkbare articulatie van deze processen en die heet dan ook niet voor niets heavy metal en er is ook nog een neefje dat industrial wordt genoemd. Metal is muzikale krachtpatserij en kent nog allerlei zijtakken zoals ‘black metal’, ‘speed metal’, ‘doom metal’, ‘death metal’, ‘power metal’, ‘trash metal’. Met name uit Scandinavië komt veel metal die een Germaans vocabulaire á la Wagner hanteert, in de bijbehorende uniformen (ik bedoel de kleding en opmaak van de fans, de jeugdcultuur is buitengewoon fijnmazig geworden en iedere afsplitsing heeft eigen uiterlijke kenmerken) en tatoeages en helaas ook nogal eens in de neonazi-ideologie zodat de geschiedenis als het ware in zijn eigen staart bijt: van Wagner als antisemitische wegbereider van de nazi’s tot sommige metalbands en hun aanhang als fanatieke navolgers.
Met andere woorden: iets van wat ik me verbeeldde maar weer verwierp als romantiserend blijkt wel degelijk te bestaan of op zijn minst te hebben bestaan. Ik vermoed dat aan mijn oorspronkelijke koppeling van (kracht)mens en machine ook schilderijen van sociaal-realistische aard niet vreemd zijn. Zo zwerven beelden en denkbeelden censuurloos door je hoofd terwijl ze wel eens totaal of deels verzonnen of verkeerd geïnterpreteerde, fictieve versies van ‘de historische werkelijkheid’ kunnen zijn.
En nu we het er toch over hebben: dat sociaalrealisme was natuurlijk propagandakunst,  áls het al kunst was, en échte kunstenaars deden er bij voorkeur niet aan mee en maakten ‘niet-officiële’ kunst die in ondergrondse huiskamertentoonstellingen te zien was en toen na zeldzame en moeilijk te begrijpen toestemming een tentoonstelling in de openbare ruimte werd gerealiseerd, werd die daar bij nader inzien toch met bulldozers weer even hard vandaan geveegd. Sommigen (velen) zwichtten voor de mogelijkheid om een  bovengronds bestaan te leiden en tenminste een beetje geld te verdienen om hun gezin te kunnen onderhouden. Ik herlas niet zo lang geleden Nadezhda Mandelstams verpletterende memoires en het wonderlijke proza van Anna Achmatova en daar is dit dilemma en de uitzichtloze problemen van wie zich, noodgedwongen ondergronds, aan de propagandistische controle onttrok aan de orde van de dag. Dichtbundels bestonden soms in een handgeschreven oplage van één, die achtereenvolgens door betrouwbare handen ging en zelfs dat werd soms te gevaarlijk gevonden en dan las men elkaar uit het hoofd geleerde gedichten voor in de hoop dat er geen inval kwam en er zich geen spionnen onder de aanwezigen bevonden. Ook in de muziek – toch de meest abstracte kunstvorm - speelde de politiek een rol, sommige muziek werd verboden, andere tot voorbeeld gesteld. Stalin had een persoonlijke interesse in en kennis van muziek en bepaalde in zijn eentje wat wel of niet kon en mocht. Zelfs Shostakovich, die aan de ene kant natuurlijk een verderfelijke modernist was, maar zich ook op gezette tijden in Stalins gunst bevond (wat omgekeerd volgens sommigen vanwege met name enkele van zijn ‘propagandistische’ symfonieën ook nogal logisch was), kon zich niet altijd aan de censuur onttrekken.
Ik heb het hier nu steeds over de voormalige Sovjet Unie, maar een dergelijke onderdrukking van het vrije woord en het vrije beeld is natuurlijk het handelsmerk van alle totalitaire staten waar de macht misbruikt wordt met maar één doel: zichzelf in stand te houden en zo mogelijk nog te vergroten.
Maar nu iets merkwaardigs: het sociaalrealisme uit het Oostblok bestaat daar niet meer en de afstand in tijd wordt steeds groter, de scherpe kantjes zijn geschiedenis geworden en, waar ik dat indertijd allemaal per reflex categorisch afwees, bij wijze van spreken zonder te kijken, merk ik nu een beetje tot mijn schrik dat ik sommige van die schilderijen eigenlijk wel kan waarderen. Ik lees ze niet zoals ze bedoeld waren om ontvangen te worden en invloed uit te oefenen, maar gewoon als ieder ander kunstwerk. Zoals de films van Leni Riefensthal in hun mededeling fouter dan fout konden zijn maar toch tot het beste uit de geschiedenis van de cinematografie behoren. Dat blijft een vreemd dilemma, ik bedoel: mág dat wel? Aanvankelijk had ik ook grote moeite met Wagner, niet eens zozeer met diens eigen gefrustreerde antisemitisme (dat een sterk autobiografisch accent had omdat hij zich door zijn vroegere beschermheer in Parijs, Meyerbeer, in de steek gelaten voelde) als wel omdat Hitler zo op die muziek en mythische verbeelding gesteld was, waardoor in ons gezin vroeger thuis alleen de naam Wagner al gelijkstond met alles wat niet deugde. Daar kon die muziek eigenlijk niets aan doen, zou je kunnen zeggen, maar het heeft me een paar decennia gekost om dat in te zien – en dan zou je het er nog over oneens kunnen zijn. Voor metal geldt wat mij betreft dat ik het vroeger een wat onnozele, vulgaire variant van de popmuziek vond, die niet de moeite waard was om serieus te nemen, maar tegenwoordig vind ik sommige bands wel degelijk uitstekend, met name de ‘stoner’-variant, waarin overigens zover ik weet geen foute ideologieën aangehangen worden; maar ook met sommige heel foute bands kan ik redelijk uit de voeten en hetzelfde geldt voor foute punkbands, want die bestaan ook maar klinken eigenlijk niet wezenlijk anders dan de ‘goede’. Ja, mág dat? Het is een domme vraag en toch is het antwoord moeilijk te geven. Mag je Céline een groot schrijver vinden ondanks zijn antisemitisme? Ja, dat mag wel, althans ik heb nog nooit iemand leren kennen die wel eens een boek las die daar anders over dacht. Het is dus niet de mededeling als wel de manier waarop die wordt gedaan (in de beeldende kunst: ‘de manier waarop de beeldmiddelen zijn gehanteerd’) die maatgevend is. Maar dan lopen ‘goed’ en ‘fout’ toch op een wonderlijke, wel degelijk wat enge manier door elkaar. Iets fouts wordt iets goeds doordat de presentatie ervan goed in elkaar is gezet, met andere woorden: de techniek bepaalt de kwaliteit van het verhaal, dat is toch dubieus? Misschien is het problemen maken waar ze niet zijn, maar ik kom er in ieder geval niet echt uit.
Overigens is het natuurlijk wel zo, dat de industriële revolutie ook gepaard ging met groot optimisme, met een enorm vooruitgangsgeloof, wat voor een belangrijk deel ook terecht was. Het is in de wereld zelden simpelweg het één of het ander. Hoewel er al in de negentiende eeuw geklaagd werd over de teloorgang van het Engelse landschap zorgde de industrie ook voor werkgelegenheid, de verdere opkomst van de stad, meer welvaart en nog zo het een en ander. In onze tijd kunnen veel fabrieken het niet meer redden, door de economische crisis maar ook doordat we in het westen niet meer kunnen wedijveren met landen waar alles veel goedkoper kan worden gemaakt (zij het ook vaak door schandelijk lage lonen en kinderarbeid). Dus gaan bedrijven failliet en fabrieken sluiten hun deuren en mensen, die vaak een opmerkelijk langdurige trouw aan een bedrijf aan de dag blijken te leggen, raken van de ene dag op de andere werkloos, wat uiteraard financiële rampspoed tot gevolg heeft maar ook en misschien vooral psychologische problemen (gevoelens van insufficiëntie, van uitgerangeerd zijn, niets meer waard) en sociale isolatie. Als het goed gaat en een fabriek goed wordt geleid door management dat niet alleen kijkt naar de productie maar ook naar degenen die daar daadwerkelijk verantwoordelijk voor zijn, de mensen op de werkvloer, kan een bedrijf bijna, ik aarzel een beetje om het te zeggen, één grote familie zijn – dan voelt iedere werknemer zich betrokken bij het wel en wee van het geheel.
Nu zijn we een revolutie verder en de communicatierevolutie van deze tijd zal waarschijnlijk minstens zo ingrijpende gevolgen hebben als de industriële. Eigenlijk is dat al zo. Virtuele technieken maken in allerlei takken van wetenschap, bedrijfsvoering en toepassingen enorme vorderingen. Hier gold aanvankelijk een vergelijkbaar optimisme als bij de industriële revolutie en vooral van het internet als vrijplaats voor idealistische projecten en communicatie van iedereen met iedereen werd veel verwacht. Maar het oorspronkelijke idealisme is wel verdwenen uit de IT-wereld, zij het niet overal. De werkelijkheid toonde zich, zoals zo vaak, in de praktijk weerbarstiger dan in de ideevorming en inmiddels manifesteren alle problematiek, machtsvorming, vercommercialisering en criminaliteit van de ‘echte’ wereld zich ook op het net, waar privacy bovendien een illusie is gebleken. Alles wat in de wereld gebeurt vindt ook plaats op het internet en soms in verhevigde mate. Dat heeft vanzelfsprekend voor- en nadelen. Het is niet mijn bedoeling om hier op dit thema nader in te gaan, daarvoor is dit niet de plek en bovendien wordt dat in alle media (zoals het internet zelf) al uitgebreid gedaan door mensen die er veel meer verstand van hebben dan ik. De virtuele identiteit is in ieder geval niet meer te stoppen en ik ga dit stukje tekst nu dan ook even naar Monique emailen om feedback van haar te krijgen.
Fabrieken zoals Lips gaan ter ziele, maar misschien kunnen we binnenkort onze eigen scheepsschroeven maken met behulp van een 3D printer.


Onderdeel van het project De Metaal waren gesprekken die ik had met verschillende mensen die op de 1 of andere manier te maken hebben gehad met de metaalindustrie in de gemeente Heusden en daar een hun verhaal daarover wilden delen. Ik maakte geluidsopnames van deze gesprekken die te horen waren op een blog (die nu niet meer online is) en in de groeiende tentoonstelling op locatie. Journalist van het Brabants Dagblad Gerrit van den Hoven kwam om mij te interviewen (eind 2011) over De Metaal, én hij bracht mij zijn verhaal over zijn vader.

Gerrit van den Hoven
Journalist van het Brabants Dagblad Gerrit van den Hoven vertelt over zijn vader Antonie van den Hoven (geboren 1917) die werkte bij het archief van Lips.
Toon bracht zijn jonge jaren ziek met tbc op bed door en was niet in staat om een opleiding te volgen.
Max Lips hielp hem echter in de jaren 50 aan werk in het archief van het bedrijf . Gerrit vertelt ook over de (dubbele) zakelijke en tegelijk sociale rol van Lips in oorlogstijd waarvoor hij als journalist onderzoek heeft gedaan. Klik op onderstaande link (op de foto staat Toon links in beeld) om het verhaal van Gerrit te horen.


Wim Klaassen zag in de installatie een artikel in het Brabants Dagblad over Lips wat hij als journalist zelf had geschreven; 'De reus van Drunen wankelt'. Ik sprak hem daarover in onderstaand geluidsfragment.


Historische filmpjes maakten onderdeel uit van de installatie. In een historische film van Lips uit 1947 zie je hoe toen een scheepsschroef werd gemaakt.


Hieronder is de te water lating van het schip De Willem Ruys te zien, eind jaren 40 in een muurschildering van het schip de Smit Houston.


Een Lipsschroef wordt vervoerd door de straten van Zevenbergen eind jaren 40.

Henk Willems, gepensioneerd burgemeester van de gemeente Heusden.
Gastvrij worden Henk Willems en ik ontvangen door Roel Britstra van Gieterij Drunen; de plek waar Max Lips begon met zijn fabriek in Drunen en waar ik wat filmopnames heb kunnen maken.
De nu (april 2014) gepensioneerde burgemeester Willems heeft een belangrijke rol gespeeld i.v.m. het behoud van de metaalindustrie in deze gemeente. We hebben een gesprek over het verleden, heden en de toekomst van de metaalindustrie, over identiteit en de invloed van een individu op de veranderingen in de maatschappij.
Met dank aan de gastvrijheid van Gieterij Drunen!




In gesprek met Hüsniye Temiz.
Hüsniye is op haar 13e jaar vanuit Turkije naar Nederland gekomen i.v.m. gezinshereniging. Haar vader werkte als gastarbeider in Drunen in de metaalindustrie bij Alcoa. (Amerikaans aluminiumproducent gestart in 1968 als joint venture met Lips en Elkem). Hüsniye vertelt in mijn atelier (voorjaar 2014) hoe het was om op te groeien met een vader werkzaam in het buitenland, en uiteindelijk weg te moeten gaan van haar moederland. Zij heeft met stichting Destek in 2008 de tentoonstelling gemaakt 'Mijn stamboom in Drunen' over de komst van gastarbeiders in deze gemeente, als eerbetoon voor hun vaders. Hüsniye's portret komt verschillende keren voor in mijn werk.


















De Vesting als korset. Fotomontage, print op zeildoek in detail van rechter luik van "Het Triptiek van de familie Moreel" van Hans Memling. Formaat 350 x 407 cm. 2005


  

Abdij van Berne, olieverf en print op plexiglas, gemonteerd in nis van de gevel van de abdij op de plek waar eerder een houten madonna beeldje had gestaan. Formaat 100cm x 150cm, 2006.


Een film uit 1957 maakte onderdeel uit van een installatie (door Monique Broekman) in 2011/12, waarin Max Lips in zijn scheepschroevenfabriek geïnterviewd werd.



Acryl en metaalverf op muur, 2012.
Acryl en metaalverf op muur 2012.


Vitrine met verzamelde objecten, foto's, projectie, schilderingen op muur met acryl/metaalverf. Onder: details vitrine.

Verstelbare schroef, acryl/metaalverf op muur.











Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen